Het is het grootste geheim van Oldenzaal: Wie wordt de nieuwe Stadsprins van Oldenzaal? Speur mee naar de naam van de nieuwe Hoogheid. De oplossing is te vinden in een van de oudste en bekendste sagen van Twente.
Lang voordat de kerktorens van Oldenzaal het landschap beheersten en de stad uitgroeide tot een levendig handelscentrum waarbij oude ambachten als touwslagers, leerlooiers, klompenmakers en pottenbakkers het stadsbeeld bepaalden, heerste er in Twente een wereld van sagen, natuurgeesten en oude gebruiken. In die tijd leefde het geloof in de Witte Wieven nog sterk, geheimzinnige verschijningen die waardevol waren voor wie hen eerde, maar gevaarlijk voor wie hen tartte.
Door Ralph Steinebach
De verhalen vertelden dat de Witte Wieven leefden op plekken waar de grens tussen de wereld van de levenden en die van het onverklaarbare dun was: bij moerassen, heidevelden, grafheuvels en mistige dalen. Rond Oldenzaal stonden vooral de heidevelden bij de Tankenberg en de lage, vochtige gronden richting De Lutte bekend als hun domein. En dat alles, volgens sommige verhalen, onder aanvoering van de leidster van de Witte Wieven: Tanfana. Tanfana, die haar verblijf had op de top van de Tankenberg en waar nu het in 1955 door de bekende Twentse architect Jan Jans herbouwde zeshoekige koepeltje staat die momenteel onder meer door een bijdrage van ondernemingssociëteit Klavertje 4 grondig wordt gerenoveerd. Daar, op die plek, waar Tanfana bij helder weer kon kijken tot over de grens, tot aan Bentheim, speelden zich in de donkere nachten soms onheilspellende zaken af.
Volgens de overlevering waren de Witte Wieven geen heksen of spoken, maar wijze vrouwen die in vroegere tijden kruiden kenden, ziektes konden genezen en raad gaven aan de mensen. Toen die oude wereld verdween en het christendom zijn intrede deed, vervaagde hun rol. Wat bleef waren de verhalen: schimmen, zwevend boven de velden wanneer de maan laag hing of laaghangende bewolking het land bedekte.
Uit de overlevering is mij ooit een verhaal ter ore gekomen over een jonge boer, Harmen, een jongen die, net als eerder zijn vader, vanuit Rossum regelmatig naar de markt in Oldenzaal trok om zijn handel te verkopen. Harmen stond bekend als grappige maar ook nuchtere Twentenaar die weinig gaf om oude verhalen. “Of het nu mistig is of dat het regent,” zei hij altijd, “het stelt niet zoveel voor.” Maar op een avond, toen de maan achter dunne wolken hing en hij te laat van de markt was vertrokken, kreeg hij een les die hij nooit meer zou vergeten.
Harmen baalde. Het was op de markt een financieel teleurstellende dag geweest. Veelal kon hij zichzelf op terugweg een applausje geven en dan zei hij tegen zichzelf dat hij het wederom goed had gedaan. Maar dit keer was het anders gelopen.
Hij had zijn vaste route langs de Es. Huis aan huis liep hij voorbij tot er op de weg tussen de Tankenberg en de stad plotseling een dichte, witte walm over het licht aangevroren pad trok. Zijn paard begon onrustig te trappelen. Harmen, stug als hij was, duwde het dier onverstoorbaar vooruit. Hij was vermoeid, een kop koffie was het laatste wat hij die middag binnen had gekregen en zijn fles drinken was inmiddels leeg. Hij wist door de vermoeidheid niet of hij droomde. Hij dacht eerst dat hij God zelf zag in de verschijning maar toen hij beter keek zag hij drie zachte, witte gestalten die langzaam uit de mist werden gevormd. Hun bewegingen waren sierlijk, hun stemmen fluisterend, als wind door berkenbladeren.
Harmen verstijfde, zijn leven trok als een film aan hem voorbij. Dit had hij nog niet eerder meegemaakt maar hij wist wat men zei: “Wel gin eerbied hef veur de Witte Wieven, krig drekt met ze te doon.” Wie ze beledigde kon verdwalen, verstrikt raken in het moeras of zijn verstand verliezen.
De drie figuren bleven voor hem staan. De lucht werd koud, stiller dan de stilste winternacht. Toen strekte één van hen een hand uit, niet dreigend, maar uitnodigend, alsof ze iets wilden laten zien. Harmens grootmoeder had hem lang geleden al geleerd wat hij dan moest doen. Met bevende handen haalde hij een broodkruimel uit zijn broekzak, boog zijn hoofd en legde de broodkruimel langs de kant van het pad.
De mist trok vrijwel onmiddellijk op. De witte gestalten vervaagden, alsof ze met het eerste zonlicht werden meegevoerd. Zijn paard brieste en stapte weer rustig verder. Harmen vertelde later dat hij nooit echt bang was geweest, zich al die tijd wel veilig had gevoeld. Maar hij stak niet onder stoelen of banken dat hij diep onder de indruk was geraakt. Het was een galavoorstelling die hij nooit zou vergeten.
Vanaf die dag was hij een man die de verhalen serieus nam. En niet alleen hij: in de Oldenzaalse omgeving bleef men tot ver in de 19e eeuw brood, melk of andere dranken en voedingsmiddelen achterlaten op plekken waar de Witte Wieven gezien waren. Niet uit angst, maar uit respect voor de oude krachten van het land.
En als ik dan, denkend aan dit verhaal, op een koude decemberavond door het buitengebied van Oldenzaal loop, wanneer de avond valt en de weinige lantaarns zacht knipperen in de wind, dan heb ik het gevoel dat de geschiedenis nog ergens om de hoek sluimert. Dat er op de donkere plekken iets rondwaart: een schaduw, een fluistering. Dan dwalen in eerste instantie mijn gedachten af naar de Witte Wieven maar ik hoor in die fluistering mijn eigen naam. Als donderslag bij heldere hemel ben ik weer helder van geest en kijk om me heen. En daar zie ik HEM, de uitverkorene. En zo blijkt dat niet alleen in de middeleeuwen mens en mysterie dicht bij elkaar leefden. Ook nu, in deze tijd, komt zo’n geluksmoment soms voorbij.


